Er is nogal wat verwarring over de begrippen rasterwaarden en rasterpercentages en deze worden nog al eens door elkaar gebruikt. Toch zijn het twee verschillende grafische begrippen die beide iets anders betekenen.

De rasterwaarde (ook wel rasterliniatuur genoemd) wordt vastgesteld door het aantal lijnen per strekkende centimeter in exact gelijke delen verdeeld, zowel horizontaal als verticaal. Dus raster 5 bestaat uit 5 lijnen horizontaal en 5 lijnen verticaal per strekkende centimeter.
Hierdoor ontstaan er 25 zwarte puntjes en 25 witte (zie afb. 1).

Deze rasterpunten zijn erg groot en makkelijk met het oog waar te nemen. De krant wordt gedrukt met raster 30 en ook daar zijn de rasterpuntjes nog goed te zien in de foto's. Als je een krantenfoto wat verder van je af houdt dan worden de puntjes in de foto steeds minder goed zichtbaar en lijkt het net of deze foto niet uit puntjes bestaat. Dit komt doordat onze ogen niet scherp genoeg zijn. Ze hebben een te laag scheidend vermogen om de puntjes te kunnen blijven zien en het lijkt of de puntjes samensmelten tot een foto (zie afb. 2). Hoe hoger de rasterwaarde des te kleiner zullen de witte en zwarte puntjes worden. Hierdoor kunnen wel kleine details in foto's zichtbaar worden gemaakt. Als de foto die in raster 30 is gedrukt ook wordt gedrukt in raster 60 is het verschil goed te zien (zie afb.3).
De keuze van de rasterwaarde wordt bepaald door de druktechniek en het te bedrukken materiaal. Krantenpapier is sterk absorberend, waardoor de inkt iets uitvloeit. Bij een hoge rasterwaarde zijn de puntjes zo klein en staan zo dicht bij elkaar dat ze gedrukt op krantenpapier tegen elkaar aan zullen vloeien. Daardoor zal de foto veel van de details verliezen en dichtlopen tot een zwart vlak. Daarom heeft een foto in de krant een rasterwaarde van ca. 30. Dezelfde foto afgedrukt op mooi glad papier wordt gedrukt met de meest gebruikte rasterwaarde van 60 of 70. De rasterwaarde bij zeefdruk is ook beperkt. De rasterwaarde wordt bepaald door de fijnheid van het gaas in het zeefdrukraam. De rasterwaarde bij andere druktechnieken zoals offset kan oplopen tot wel raster 150 of hoger. Of deze rasterwaarde nog functioneel is hangt af van hoe gedetailleerd de foto wordt weergegeven, omdat zelfs de kleinste haartjes op de huid van mensen zichtbaar zullen worden. De kosten van productie bij deze rasterwaarde zijn ook erg hoog, omdat er gewerkt moet worden in een omgeving waarin ronddwarrelend stof wordt vermeden. Ook het papier moet aan zeer hoge eisen voldoen, omdat de minste uitvloeiing van de inkt zal leiden tot verlies in de detaillering. Dus een correcte afstemming tussen rasterwaarde, te bedrukken materiaal en druktechniek is van groot belang voor een goed grafisch eindproduct.
De rasterpercentages
Het rasterpercentage (ook wel dekking genoemd) wordt bepaald door het verschil in grootte tussen de witte en de zwarte puntjes binnen een afgebakend vlak. Als er sprake is van een rasterpercentage van 100%, dan zijn er geen witte puntjes meer en spreken we van een volvlak (Zie afb. 4). Bij een rasterpercentage van 0% zijn er geen zwarte puntjes en blijft het te bedrukken materiaal blanco. Indien het rasterpercentage 80% is, dan zijn de zwarte puntjes zo groot dat 80% van het afgebakende vlak bedekt is met inkt, maar er blijven evenveel witte puntjes als zwarte puntjes (zie afb. 5).
Dus het rasterpercentage geeft de dekking aan binnen de rasterwaarde. Een voorbeeld hiervan zijn twee vlakken waarvan het ene vlak is gedrukt met een rasterwaarde 60 en een rasterpercentage van 50% (zie afb. 6) en het andere vlak is gedrukt met een rasterwaarde 30 en ook een rasterpercentage van 50% (zie afb. 7).Het verschil is duidelijk. Het vlak gedrukt met een rasterwaarde 60 heeft een fijnere structuur dan het vlak dat gedrukt is met een rasterwaarde 30.
Door het gebruik van rasterpercentages is het dus mogelijk om met het drukken van 1 kleur meerdere tinten te realiseren, waardoor het lijkt dat er gedrukt is met meerdere kleuren (zie afb. 8).
afb. 1
afb. 2
afb.3
afb. 4
afb. 5
afb. 6
afb. 7
afb. 8